Geschiedenis
Reeds in de oudheid gebruikten de Grieken paddestoelen. Ze noemden de champignon “mykes”, vanwaar de term “mycologie” of wetenschap van de schimmels. Ook de Romeinen apprecieerden champignons. Van hen houden we de term “fungus” of schimmel over.
In de middeleeuwen vertoefden paddestoelen zowat in het verdomhoekje. Denken we maar aan de mysterieuze heksenkringen. Het is wachten tot de 17de eeuw tot er weer beweging in de sector komt.
De eerste melding van een echte cultuur gaat terug tot omstreeks 1630 in de regio Parijs, waar tuinders ontdekken dat uitgewerkt meloensubstraat na begieten met het waswater van de champignons meer productie gaf. In dat waswater zaten namelijk sporen en mycelium die in de paardenmest een geschikte voedingsbodem vonden.
Rond 1780 ontdekte de Franse tuinman Chambry dat de grotten een goede omgeving vormen voor de teelt van de champignons omwille van de constante lage temperatuur en de hoge luchtvochtigheid. Tot op heden wordt nog volop geteeld in de immens grote grotten rond Parijs en in de Loire-vallei.
De evolutie naar bovengrondse teeltruimten zette zich in België volop in halverwege de jaren ’60 onder impuls van het Provinciaal Centrum voor Land-en Tuinbouw te Roeselare.

